Over Pieter Scheen


Pieter Scheen
(1874-1952)


Pieter A. Scheen
(1916-2003)


Pieter Scheen
(1952)

Drie generaties Pieter Scheen

Mijn grootvader, Pieter Scheen (1874-1952) overleed in het jaar dat ik geboren werd. Ik heb hem dus niet gekend, maar de verhalen spreken van een imposante man met een martiale snor. Hij werkte als hoofdonderwijzer in Den Haag, was amateurschilder en restaurateur. Rond 1920 koos hij de  kunsthandel als bron van inkomsten. Hij handelde met name in werken uit de nabloei van de Haagse School. Hij kocht rechtstreeks van de kunstschilders en verkocht hun werk tot in de Verenigde Staten.

Zijn oudste zoon, mijn vader, Pieter Arie Scheen (1916-2003), groeide op met de kunst en de kunsthandel en besloot in de oorlogsjaren een naslagwerk over Nederlandse kunstenaars samen te stellen. Dit boek “Honderd Jaren Nederlandsche Schilder- en Teekenkunst, de Romantiek met voor- en natijd (1750-1850)”, werd uitgegeven in 1946. Rond die tijd startte mijn vader zijn eigen kunsthandel aan de Zeestraat 50 in Den Haag, recht tegenover Panorama Mesdag. Hij  was gespecialiseerd in de Haagse en Romantische School. In de jaren zestig besloot hij dat er een vervolg op zijn boek uit 1946 moest komen, maar dan een lexicon van kunstenaars tot aan de huidige tijd. Een ongelooflijk project, een lexicon met 7.500 kunstenaarsbiografieën in een tijd zonder computer, maar in 1969 en 1970 publiceerde hij in eigen beheer het tweedelige Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars (1750-1950), in vakkringen bekend als de ‘’Rode Scheen’’. Dit werk geldt nog steeds als het belangrijkste naslagwerk over Nederlandse kunstenaars uit de laatste twee eeuwen.  Ook de kunsthandel Pieter A. Scheen groeide uit tot een van de toonaangevende zaken in Nederland. Nadat mijn vader was teruggetreden werd de zaak voortgezet door mijn zwager Joop  Breeschoten. Hij vertrok begin jaren negentig naar de Verenigde Staten.

Als zoon en kleinzoon, getooid met dezelfde voornaam, heb ik als scholier simpele werkzaamheden voor het naslagwerk verricht. In de jaren zeventig nam ik de herziening van het lexicon ter hand, wat in 1981 resulteerde in publicatie van de ‘’Blauwe Scheen’’, die de periode 1750-1880 behandelt. Helaas bleek het financieel niet mogelijk het tweede deel, dat de periode van 1880 tot 1980 zou bestrijken, uit te geven. Vervolgens bekleedde ik verschi